In april stijgen de verwachtingen van de meeste vogelaars elke dag een beetje meer, de windrichting wordt al eens meer in de gaten gehouden, en telposten worden vaker bevolkt. De voorjaarstrek komt deze maand volop op gang, en ook dit jaar leverde dat al heel wat moois op, met een echte top-trekteldag aan zee op de laatste dag van de maand. Een echte megasoort zit er voorlopig nog niet bij voor 2026, maar er valt genoeg leuks te zien! Lees er alles over in het vierde maandoverzicht van dit jaar!
Overzicht
Zoals gewoonlijk start het overzicht met de vraag wat te denken van alle Roodhalsganzen die werden gezien. De meeste vogelaars liepen in elk geval niet echt warm voor de exemplaren die op zes locaties opdoken… Ook de Dwerggans die bij Kieldrecht (OV) tussen de Brandganzen zat was niet meteen iets om wild van te worden. Wilde zwanen werden nog van een 15-tal plekken doorgegeven, met vijf bij Roly (NA) als maximum aantal op één plaats. Krooneenden waren goed voor waarnemingen in een tiental gebieden, op twee locaties na waar er twee vogels zaten, ging het telkens om solitaire exemplaren. Witoogeenden werden enkel bij Lier (AN) en Nijlen (AN) gemeld. De enige IJseend zat op 4 april op Put Polderwind bij Zuienkerke (WV). Ook deze maand werden mooie aantallen Roodhalsfuten waargenomen, met meldingen uit zes gebieden. Bij Eeckhoven (AN) werden nog tot vier exemplaren gezien, elders ging het telkens om eenlingen. Kuifduiker was deze maand nog goed voor vijf exemplaren. Het hoogste aantal Zomertortels dat op één dag op een telpost werd gezien, was vijf, op 30 april aan de Spanjaardduinen bij Bredene (WV).
Elke dag werden wel ergens nog Kraanvogels gemeld, met op 8 april zelfs nog een kleine doortrekpiek. Op meer dan 20 locaties werden Porseleinhoentjes waargenomen, hopelijk levert dat een aantal broedparen op dit jaar (maar dan zal het nog wat meer moeten regenen waarschijnlijk…). Er werden zeven Grielen gemeld, het merendeel betrof vogels die d.m.v. nachtelijke opname-apparatuur werden vastgesteld. Steltkluten kwamen goed aan deze maand, en namen hun klassieke broedplekken in. Op 18 april ontdekte Filip De Ruwe een Amerikaanse goudplevier bij Uitkerke, indien aanvaard betreft dit nog maar het zesde Belgische geval! Op 15 april werd de eerste Morinelplevier van het voorjaar waargenomen, tot het einde van de maand volgden nog een tiental exemplaren.
Knap was de ontdekking van een langsvliegende Poelruiter bij Lier (AN) op 20 april, iets later kon de vogel ook aan de grond worden teruggevonden. Op 17 april was er een melding van een Gestreepte strandloper in het Schulensbroek (LI). In de laatste week van april werden drie Lachsterns waargenomen, bij Verrebroek (OV), Stalhille (WV) en Doel (OV). Reuzensterns werden uit maar liefst 67 km-hokken gemeld, erg leuk was een groep van 10 exemplaren die op 24 april bij Schulen (LI) werd gezien.
Op 22 april dook de eerste Witwangstern op, er werden in totaal vijf exemplaren gezien. Een Parelduiker zat vanaf de 21e op de Barrages de l’Eau d’Heure (HA). Doorheen de maand werden een 15-tal Zwarte ibissen waargenomen. Op een tiental plaatsen werden al Woudaapjes gezien, Kwakken waren dan weer goed voor een 15-tal exemplaren. De groepen Koereigers worden traditiegetrouw kleiner in het voorjaar, het hoogste aantal gemelde vogels was 58 exemplaren in de kolonie in Uitkerke (WV). Wat kan er nog verteld worden over Grijze wouw? Elk jaar lijkt het aantal waarnemingen en exemplaren toe te nemen, en dat is dit jaar niet anders. In april leek het echt te ontploffen voor deze soort, Hilbran Verstrate slaagde er op 27 april zelfs in om op minder dan vier uur tijd drie exemplaren te zien overtrekken in Zeebrugge (WV)! Op 22 april werden drie Slangenarenden waargenomen, ook van deze soort zullen er de komende weken ongetwijfeld nog wel wat exemplaren opduiken. De maand was ook al goed voor twee Dwergarenden, nog zo’n soort die tegenwoordig een stuk algemener is dan pakweg 20 jaar geleden. De 15e Belgische (en al de tweede voor dit jaar) Havikarend werd op 17 april door Nils Dubois en Juan Bosco Darimont ontdekt bij Bernissart (HA).
Nog zo’n roofvogel waarvan het aantal waarnemingen de afgelopen jaren sterk toenam is Steppekiekendief. Ook deze maand trokken er weer heel wat langs, met als hoofdprijs enkele schitterende adulte mannetjes.
Ook die andere ‘slanke kiek’, de Grauwe kiekendief, begon deze maand goed door te komen. Heuglijk nieuws opnieuw bij de Zeearenden van de IJzervallei (WV), daar kropen ook nu weer twee jongen uit het ei. April is ook klassiek een goede maand voor Hop, met dit jaar meldingen uit een 50-tal km-hokken. Hier en daar werden ook zingende vogels gemeld, afwachten of dat ook ergens tot broedpogingen leidt. Dat geldt ook voor Bijenetern nog een soort waarvan de eerste exemplaren deze maand opdoken. Draaihalzen werden gemeld uit een 60-tal km-hokken, het merendeel ervan in de broedgebieden in Wallonië. Op het einde van de maand doken een tiental Roodpootvalken op, hopelijk het begin van een mooie influx! Het aantal Klapeksters in Vlaanderen nam deze maand sterk af, aangezien de meeste vogels terugkeerden naar hun broedgebieden. Het merendeel van de meldingen kwam logischerwijs dan ook uit het zuidoosten van het land. Ook het aantal Buidelmezen kelderde deze maand, met nog waarnemingen van amper drie exemplaren. Kuifleeuweriken bleven trouw aan hun broedgebieden aan de westkust, in het Zeebrugse (WV) bleek ook nog minstens één vogel aanwezig. In Het Zwin (WV) werden op 13 april de laatste drie Strandleeuweriken gezien, een groep van 50 vogels die op 30 april langs Oostduinkerke (WV) vloog moet behoorlijk spectaculair zijn geweest! Het aantal Graszangers nam deze maand verder toe, met nu al meldingen uit 150 km-hokken. Ter vergelijking: in april 2024 en 2025 ging het om resp. 61 en 101 km-hokken. Ze lijken de korte winterprik eerder dit jaar dus goed te zijn doorgekomen, wellicht zullen we dit jaar dus een verdere uitbreiding van deze soort zien. Er werden al twee zingende Grote karekieten waargenomen in de tweede helft van april. Snorren zongen in 131 km-hokken, dat zijn er ongeveer 30% meer dan in april vorig jaar. Een erg vroege Roodstuitzwaluw vloog op 8 april langs de telpost van De Fonteintjes bij Zeebrugge (WV). Later in de maand volgden nog vijf exemplaren, een exemplaar bij Wingene (WV) was het enige dat niet langs een telpost aan zee werd gezien.
Er waren enkele meldingen van Iberische tjiftjaffen, maar een overduidelijk en langdurig zingend exemplaar kon dit jaar nog niet worden gevonden. De enige Grote pieper vloog op 18 april langs De Panne (WV). Er werden deze maand ook zes Duinpiepers en acht Roodkeelpiepers waargenomen. Hopelijk levert mei nog wat meer Ortolanen op dan de twee in april. Een Dwerggors tenslotte zat op 12 april bij Merksplas (AN).
Een welgemeende dank uiteraard aan alle waarnemers, én aan de fotografen voor het gebruik van hun foto's!
Gezocht in mei
Daar waar in de eerste maanden van het jaar het lijstje soorten waarop wordt gehoopt niet altijd heel uitgebreid is, is dat in mei helemaal anders. Ongeveer alles kan deze maand, uit alle vogelfamilies en alle windstreken. Wat te denken van een Woestijnplevier of nog eens een Grote franjepoot? Krijgen we eindelijk de eerste twitchbare Schreeuwarend of Aasgier? Of nog eens een Moltoni’s of Sardijnse grasmus? Of eindelijk eens die Woestijnvink of Spaanse mus? Vergeet naast het hopen op en zoeken naar een mega-soort ook niet te genieten van het voorjaar, of het nu op een telpost is of bij het ochtendkoor in je favoriete gebied! Iedereen naar buiten dus!
